In mijn lange leven zijn er ogenblikken geweest dat ik aanzoeken kreeg van heren en/of mannen. Het was in de tijd dat ik nog steeds bezweek voor een warme maaltijd. Die enorme trek – ‘honger’ mocht ik niet zeggen van mijn moedertje, ‘trek’ was het woord – vond zijn wortels in de hongerwinter, de oorzaak van mijn eeuwige eetlust. Na het schrijven van het boek ‘Nooit Meer Slank’, hetgeen mij zelfinzicht in mijn niet te stoppen vraatzucht verschafte, kon ik het hongerdier op eigen kracht temmen. Maar in die na-oorlogse tijd was er dus weinig voor nodig om mij te laten doorzakken op eetwaar. Aanzoek

Zo was er ooit een vriendelijke heer – een weduwnaar met drie jonge kinderen, wonende in een torenflat in Nieuwegein – die mijn zwakte zag. Hij nodigde mij uit in een heerlijk eethuis en bestelde een ongelofelijke hoeveelheid verrukkelijk eten. Ik was weerloos. Terwijl ik probeerde om dat zalige eten enigszins beschaafd en niet al te gretig naar binnen te schuiven, vroeg hij mij tussen het opscheppen van nóg een nieuwe portie door of ik er iets voor voelde zijn vrouw te worden. Ik hoorde nauwelijks wat hij zei. Mijn aandacht lag op het nieuwe bord vol verse asperges, ham, krieltjes, ei en boterjus. Ik was zó in beslag genomen door de verrukkelijke maaltijd, dat het totaal niet tot mij doordrong welke vraag mijn begeleider aan de orde stelde. Ik at en at, terwijl ik in de verte al de trolly met frambozentaart zag wachten. Ik knikte wat dommig op zijn vraag om zijn vrouw te worden. Het drong gewoon niet tot mij door. Nadat de asperges plus toebehoren op waren en het nu tijd was voor de frambozentaart, kwam zijn vraag plotseling wél bij mij binnen – en begreep ik dat hier sprake was van een aanzoek.

Lees ook: Broodje poep heeft de toekomst!

‘Trouwen?’ Ik klonk schaapachtig. De heer knikte: ‘ja?’ ‘Maar ik ben nog maar net gescheiden’, stamelde ik. Ik voelde mij ineens heel slecht, omdat ik mij zo had laten verwennen met borden vol heerlijk eten. De vriendelijke weduwnaar begreep het. Hij werd niet eens boos op deze vrouw, die hij had gedacht met een warme maaltijd te kunnen verleiden om samen met hem in zijn torenflat te komen wonen. En nu wilde ik niet eens trouwen! Hij moest er even heel erg van zuchten. Van teleurstelling. Ik zuchtte ook. Wat een harteloze, zelfzuchtige vrouw was ik. Dat kwam allemaal door die rotoorlog. De honger had mijn gevoelsleven aangetast. Maar de heer was een échte heer. Een heer van stand! ‘Meisje’, sprak hij vriendelijk. ‘Ik bel je volgend jaar op deze datum weer. Om je uit te nodigen voor een etentje. En misschien wil je dan wél met me trouwen!’

Marjan Berk

Aanzoek