Op 29 september 1959 stond mijn wiegje in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Mijn ouders runden een confectiebedrijf, waarbij mijn vader het vak van perser uitoefende en mijn moeder achter de machine zat. Ze maakten jassen voor Aparto en dat was een bedrijf dat onder meer aan C&A leverde. Ik groeide op in de Cornelis Trooststraat, die destijds nog verdeeld was in een goed en wat slechter gedeelte. Bij de Ruysdaelkade woonde het uitschot en richting Ferdinand Bol woonden de wat nettere mensen. Wij zaten precies op de grens. Herinneringen aan de wijk zoals die was? Allereerst was er in elk winkelpand daadwerkelijk een winkel gevestigd. Op het pleintje vond je een bakker, een drogist, een kruidenier en een melk- en een sigarenboer. Buurtgenoten hoefden doordeweeks niet af te rekenen, want op zaterdags werd er betaald. Als kind voetbalde ik op straat, want de trottoirs waren nog niet zo breed en er waren minder fietsen. En als de wind goed stond, rook de hele wijk naar het bier van de Heineken Brouwerij, die toen nog in werking was.

Op mijn zestiende ging ik van school af en ben ik het huis uitgegaan. Ik kwam in een kraakwoning terecht, om twee jaar later toch weer terug te keren naar mijn ouderlijke woning. En daar woon ik nu nog steeds. Over het algemeen kunnen alleen leden van Koningshuizen en faraos dat zeggen, dus ik voel me een zeer bevoorrecht mens!

Raymond Thiry

Foto KRO-NCRV / Pief Weyman