Amsterdam is altijd een smeltkroes van culturen geweest en ook ik ben er geboren. Mijn vader en moeder kwamen elkaar hier na de Tweede Wereldoorlog tegen, toen ze er allebei gingen studeren. Mijn wiegje stond in 1971 in het OLVG, waar in die tijd vrijwel iedereen ter wereld kwam. Mijn ouders woonden toen nog in een appartement in de buurt van de Jaap Edenbaan. Mijn oma woonde een paar verdiepingen lager. Mijn broer is vier jaar ouder dan ik en na de gezinsuitbreiding verhuisden we door ruimtegebrek naar Abcoude. Daar bracht ik mijn jeugd door. De lagere school volgde ik in Buitenveldert en daarna ging ik naar de Vrije School op het Hygieaplein. Elke dag ging ik met de trein naar Amsterdam, waar ik op het station mijn fiets had staan. Elke dag fietste ik dwars door de stad naar school. Dat gaf me niet alleen een enorm gevoel van vrijheid, maar ik vond het ook heerlijk om rond te dolen door deze bijzondere stad waarin altijd wel iets te ontdekken valt. Vooral in de avonden droomde ik weg bij de lofts, die er in het donker uitzagen alsof het levende poppenkasten waren. ‘Wat zou ik later graag op zo’n mooi en statig plekje wonen’, dacht ik dan. Uiteindelijk is me dat (nog) niet gelukt. Want als je écht mooi in Amsterdam wil wonen, heb je nu eenmaal een goed gevulde beurs nodig – zeker als je ook nog naar een tuintje verlangt. Maar nog steeds woon ik onder de rook van Amsterdam en kan  ik me nu alweer verheugen op de mooie lentedagen waarop ik in mijn bootje stap en koers zet richting de hoofdstad. Om de stad dan net als vroeger keer op keer opnieuw te ontdekken. Op de fiets is Mokum al prachtig, maar vanaf het water lijkt de stad zelfs nog mooier. En wat geniet ik van de woonboten, of van de stralende tegenliggers met wie je op een bootje zo gemakkelijk contact maakt. En wat is het toch heerlijk om te luisteren naar de humor, die nog altijd op straat ligt. Amsterdam, wat blijf je voor mij toch een onontdekt pareltje!

Pernille La Lau

foto RTL/Nick van Ormondt