Ik ben geboren in Watergraafsmeer, waar ik de eerste drie jaar van mijn leven heb gewoond. Daarna verhuisden we naar de Stadionweg. Mijn moeder was fotograaf en mijn vader was architect. Ze voelden zich onmiddellijk thuis in de wijk waar zich toentertijd nog vooral veel creatieve en artistieke gezinnen bevonden. Aan de dakpannen kon je zien of je je in het goede of minder goede gedeelte bevond. Het was toch minder als je in een huis met oranje dakpannen woonde, want dan zat je tussen de politieagenten en de ambtenaren. Bij de huizen met de zwarte dakpannen begon het wat chiquere gedeelte en nog iets verder, bij de Beethovenstraat, wandelde je het échte Oud-Zuid binnen. Als kind heb ik me er prima vermaakt. Buitenveldert was er nog niet en dus hadden we op die bouwgrond alle ruimte om te spelen, al moesten we wel uitkijken voor de Donald Duck-colporteur, een bekende levensgevaarlijke pederast waar Peter R. de Vries later het boek Een Moord Kost Meer Levens over schreef. Ik groeide op in een tijd dat je je oren en ogen goed moest openhouden. Er was altijd wel iets aan de hand in Amsterdam en ik volgde dat op de voet. Het anarchisme sprak me al op jonge leeftijd aan. Ik genoot van de onstuimige jaren zestig en zeventig met haar hippie’s, Provo’s en krakersrellen. Slechts een jaar van mijn leven heb ik niet in de hoofdstad gewoond, maar daarna ben ik altijd in Amsterdam gebleven. Het is te chauvinistisch om te zeggen dat ik daar nou heel trots op ben. Ik ben geen Ajax fan en je zult me ook niet horen zeggen dat ik hier nooit meer weg zal gaan. Toch valt het me wel op dat er één ding is veranderd in de loop der jaren. Ik ben altijd nieuwsgierig waar mensen vandaan komen. Negen van de tien keer hoor ik ‘Amsterdam’ niet als antwoord. Maar dan ben ikzelf die ene uitzondering als de wedervraag ‘en jij?’ luidt…

Michiel Romeyn