Amsterdam heeft een aantal gerenommeerde theatertempels. De gevestigde namen zijn natuurlijk Carré, Stadsschouwburg, Concertgebouw, Het Muziektheater, DeLaMar Theater, De Kleine Komedie, Melkweg en Paradiso. En niet te vergeten nieuwe tempels als de HMH en Ziggo Dome. Het zijn allemaal plekken waar je als artiest toch minstens een keer moet hebben gestaan. Alleen in het Muziektheater kun je met popmuziek nog steeds niet terecht, al hoop ik dat daar ooit verandering in komt. Behalve daar en in de Ziggo Dome heb ik overal wel eens op het podium gestaan en dat is iets waar ik na 50 jaar zingen met gepaste trots op terugkijk. In Paradiso heb ik gezongen, muziek gemaakt, maar eigenlijk denk ik nog met meer warmte terug aan de dagen die ik er doorbracht in de tijd van de flower power. ’s Middags comfortabel liggend op de Perzische tapijten, genietend van de lichtshows op de muur en de psychedelische muziek die uit de boxen klonk. Met een jointje in de hand was het dan tijd voor niets anders dan een ontspannen sfeer waarin je los van de wereld kon zijn. Ik ben er vaak geweest, niet om muziek te maken maar om ervan te genieten.’

‘Ramses keek minzaam op me neer’

‘Er waren ook theatertjes waar ik heb gezongen en die me minstens even dierbaar zijn. Zoals het Lido, waar ik in het studentencabaret van de helaas te jong overleden Jop Pannekoek zat. Samen met het Franse popidool Dave zong ik er ooit een vertaling van Ciao, Ragazzi, Ciao. Of het café van Theo Ruiter aan de Rozengracht, waar Wim Ibo zijn tv-programma Cabaretkroniek opnam. Daar heb ik voor de deur staan overgeven van de zenuwen omdat ik live een liedje moest zingen dat ik nog niet echt uit mijn hoofd kende. Nooit ben ik meer zo zenuwachtig geweest als toen. Of De Kolenkit, het zaaltje van die kerk in Amsterdam-West, waar ik mijn eerste officiële optreden had voor betalend publiek, dat bestond uit keurige jongens en meisjes van de Hervormde Kerk. Dit alles onder begeleiding van een stel blije bijbel-agogen. Of een serie avonden in de Moulin Rouge, in een zaaltje boven de striptent. Daar stond ook Ramses Shaffy met zijn Shaffy Chantant. Op een middag, in het prille begin van mijn carrière, heb ik de stoute schoenen aangetrokken en ben naar de repetities gegaan. Het was bovenin de Moulin Rouge op het Thorbeckeplein. ‘Meneer Shaffy, ik ben Boudewijn de Groot en ik heb een paar plaatjes gemaakt met eigen liedjes. Kan ik misschien een keer iets zingen in uw programma?’ Ramses keek minzaam op me neer en sprak op luide, galmende toon: Welnee! Geen sprake van. Daar is geen plaats voor!’ Hij lachte erbij, dus hij bedoelde het vriendelijk, maar was niet te vermurwen. Later is het toch nog goed gekomen en samen met Lennaert Nijgh heb ik ‘Pastorale’ geschreven, zodat ik toch iets voor hem heb kunnen betekenen. En in de Moulin Rouge heb ik dus ook nog gezongen. Op eigen benen, zonder ‘meneer Shaffy’.

Foto Loe Beerens