Totdat het moment waarop we tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten onderduiken, woonde ik in de Geleenstraat. Mijn ouders, geboren en getogen Amsterdammers, waren net als ik een beetje voorzichtige mensen die ongelooflijk tevreden in Amsterdam leefden. Ze kwamen oorspronkelijk uit de omgeving van de Nieuwmarkt, verhuisden daarna richting Oosterpark en streken vervolgens neer in de Rivierenbuurt, waar op dat moment de iets betere burgerij woonde.

Na de oorlog woonden we in de Deurloostraat, in het huis van een oom die in de oorlog was gestorven. We waren allang blij dat er zomaar een woning beschikbaar was, want iedereen woonde in de huizen van mensen die weggegaan waren. De Deurloostraat is weliswaar iets moderner geworden, maar is verder weinig veranderd. Datzelfde geldt voor de Rivierenbuurt, die altijd min of meer hetzelfde is gebleven: rustig, prettig, wijds en verder niet heel spectaculair. Na de lagere school ging ik naar het Spinoza Lyceum, waar daltononderwijs werd gegeven: een verrukkelijk systeem als je niet heel hard wilt werken. In de schoolbanken droomde ik ervan om Audrey Hepburn te worden en verder was ik ongericht over mijn toekomst. Ik ging uiteindelijk Frans studeren met het idee om voor de klas te staan. Tussendoor volgde ik nog een secretaresseopleiding waar ik onder meer blind leerde tikken en daar had ik niet veel later als journaliste bij Het Parool veel profijt van. Van het eerste interview met Johan Cruijff tot aan de Telegraafrellen en het concert van The Beatles: overal zat ik met mijn neus bovenop…

Mijn leven is in die zin beperkt dat het zich allemaal in 020 afspeelt. Ik weet nog goed dat mijn ouders het een schande vonden dat ik al op mijn twintigste het ouderlijk huis verliet, want ik had toch een mooie kamer in de Deurloostraat? Maar ja, ik kon voor 40 gulden per maand een kamer krijgen in de Oude Leliestraat. Van de hospita mocht ik geen vriendjes ontvangen, dus die moesten zich regelmatig schuilhouden in de dakgoot. Toen ik een vriend kreeg waarmee ik uiteindelijk ging trouwen, verhuisde ik naar een geweldige plek boven ’t Hooischip aan de Amstel en het Waterlooplein en later woonden we samen op het Rokin, naast Maison de Bonneterie. Kortom, ik heb op heel veel mooie plekken gewoond. En nog altijd wordt deze Amsterdamse dame het gelukkigst als ze na een zware werkdag de stad binnenrijdt. Wat er ook gebeurt of aan de hand is: ik woon gewoon in de mooiste stad die er bestaat. Als ik op mijn fiets stap, denk ik bijna dagelijks: wat ben jij toch een geluksvogel!

Hanneke Groenteman